wat wij met u
doen
als vrouwen
die wij zijn
en
ik wil u
ontvouwen
open,
dan weer toe
en sluit uw mooie
bruine ogen
ga slapen,
ge zijt moe.
maandag 22 november 2010
zondag 31 oktober 2010
ik zie u, hoe ge wakker ligt in bed.
ge weet niet wat ge moet.
ge doet
maar, steeds en weer opnieuw
en ik kan niks dan
schrijven
u dwingen tot een antwoord lukt niet,
gaat niet, niet bij u.
ge gaat uw eigen wandel. ge loopt, staat
stil en treuzelt weer. ge doet mij weer
verdwalen. lief.
hoe ge ligt in mijn hoofd, te rusten, handen
achter 't hoofd gevouwen.
ge slaapt niet, ge wacht.
och gij.
ik druk u tegen mij terwijl ik lig
te lezen.
ge zijt zo warm, altijd en knippert
met uw ogen.
kunt ge dromen? kunt ge 't nog?
ziet ge nog wel verder dan 't huis waarin
ge u verschuilt?
lief.
niet.
ge ziet het niet.
onder lakens, stoffen daken,
druk ik mij tegen u aan.
ik kan weer sterren tellen.
zeven, vijf en twee.
en hoe ge praat en dingen lost,
het gaat u beter af.
na eeuwen.
ik zie voeten lopen.
door zand, door zee, en ik ben mee
met u.
we slapen, ogen toe,
wind waait over lakens.
ja, nee, gij, och gij. ge weet me
wel te vinden. ge weet
hoe ge dit doet met mij. ik kan u
nauw'lijks zeggen
dat het goed is wat gij doet.
één stap en steeds vooruit.
...
ge weet niet wat ge moet.
ge doet
maar, steeds en weer opnieuw
en ik kan niks dan
schrijven
u dwingen tot een antwoord lukt niet,
gaat niet, niet bij u.
ge gaat uw eigen wandel. ge loopt, staat
stil en treuzelt weer. ge doet mij weer
verdwalen. lief.
hoe ge ligt in mijn hoofd, te rusten, handen
achter 't hoofd gevouwen.
ge slaapt niet, ge wacht.
och gij.
ik druk u tegen mij terwijl ik lig
te lezen.
ge zijt zo warm, altijd en knippert
met uw ogen.
kunt ge dromen? kunt ge 't nog?
ziet ge nog wel verder dan 't huis waarin
ge u verschuilt?
lief.
niet.
ge ziet het niet.
onder lakens, stoffen daken,
druk ik mij tegen u aan.
ik kan weer sterren tellen.
zeven, vijf en twee.
en hoe ge praat en dingen lost,
het gaat u beter af.
na eeuwen.
ik zie voeten lopen.
door zand, door zee, en ik ben mee
met u.
we slapen, ogen toe,
wind waait over lakens.
ja, nee, gij, och gij. ge weet me
wel te vinden. ge weet
hoe ge dit doet met mij. ik kan u
nauw'lijks zeggen
dat het goed is wat gij doet.
één stap en steeds vooruit.
...
zaterdag 23 oktober 2010
relaxing.
it's by dancing around you that i heal -i feel an
unbeaten rest and love, that is how you do
all them soothing things to me.
breathe and smoke, nod and give a silent
laugh towards all
you know of me.
sleep under covers quiet dreams
about what you used to do
without music as a passion.
embrace those words i speak
on mixed-up mornings over the phone.
alone talking, talking alone, play tricks
on me.
dear.
i drink a whole night through and see
me as i talk and stroke my hair and
i didn't even see you entering, as you
pass through me.
you mess it up, again.
once more, you swing with broken hearts,
poetic souls
relaxing.
unbeaten rest and love, that is how you do
all them soothing things to me.
breathe and smoke, nod and give a silent
laugh towards all
you know of me.
sleep under covers quiet dreams
about what you used to do
without music as a passion.
embrace those words i speak
on mixed-up mornings over the phone.
alone talking, talking alone, play tricks
on me.
dear.
i drink a whole night through and see
me as i talk and stroke my hair and
i didn't even see you entering, as you
pass through me.
you mess it up, again.
once more, you swing with broken hearts,
poetic souls
relaxing.
vrijdag 3 september 2010
ach, ik wil toch enkel u. niet anders, geen ander, nooit nimmer niet. ge doet me dwalen, bezinnen, groeien, beminnen. leert houden van.
nu nog gij. nu nog gij die woorden loslaat, uw verstand verlaat en hart volgt, ver weg.
ge kunt het, ik heb het u zien doen. voorheen, tijd geleen, maar toch gezien, genoten, geleefd.
met u, in u ben ik.
en toch zijt ge ver weg, ik kan u nauwelijks raken, daar.
ik zit en slik binnen die letters, die zinnen, die mij doen beminnen.
ach gij. ik zie het in uw ogen, ge wilt maar weet niet hoe.
ik zal het u leren.
open uw armen, uw klein ver hart en praat. vertel in korte, ware, sterke zinnen wat ge zijt en hoe ge 't ziet, de verte.
de leemte.
ik zie u. doorzie u.
ge loopt op hoge tenen, uw hart klopt in uw borst een weg naar buiten.
ge zijt zout, niet langer bitter om zij die u verliet. ach gij.
ge weet het niet. wel. wat ik ben, hoe gij mij maakt, vervormt, bevriest, zelfs op nachten als deze.
ge loopt niet, ge gaat. soms ver, soms nauwer, flauwer, dichter ook bij mij.
ge ploetert, houdt uw hoofd nét boven. staat in stilte te schreeuwen om geliefte, omarmen, kussen. ge kunt.
ge speelt. met mij. mijn hoofd vergeet u nooit. ge kust, ge kunt.
och gij. kunt zo niet verder leven.
ik hoor u. steeds. ik schreeuw om u, ik huil en tel de druppels.
elk één vertelt hetzelfde.
ik wil u. ik wil u. ik wil u.
nu nog gij. nu nog gij die woorden loslaat, uw verstand verlaat en hart volgt, ver weg.
ge kunt het, ik heb het u zien doen. voorheen, tijd geleen, maar toch gezien, genoten, geleefd.
met u, in u ben ik.
en toch zijt ge ver weg, ik kan u nauwelijks raken, daar.
ik zit en slik binnen die letters, die zinnen, die mij doen beminnen.
ach gij. ik zie het in uw ogen, ge wilt maar weet niet hoe.
ik zal het u leren.
open uw armen, uw klein ver hart en praat. vertel in korte, ware, sterke zinnen wat ge zijt en hoe ge 't ziet, de verte.
de leemte.
ik zie u. doorzie u.
ge loopt op hoge tenen, uw hart klopt in uw borst een weg naar buiten.
ge zijt zout, niet langer bitter om zij die u verliet. ach gij.
ge weet het niet. wel. wat ik ben, hoe gij mij maakt, vervormt, bevriest, zelfs op nachten als deze.
ge loopt niet, ge gaat. soms ver, soms nauwer, flauwer, dichter ook bij mij.
ge ploetert, houdt uw hoofd nét boven. staat in stilte te schreeuwen om geliefte, omarmen, kussen. ge kunt.
ge speelt. met mij. mijn hoofd vergeet u nooit. ge kust, ge kunt.
och gij. kunt zo niet verder leven.
ik hoor u. steeds. ik schreeuw om u, ik huil en tel de druppels.
elk één vertelt hetzelfde.
ik wil u. ik wil u. ik wil u.
vrijdag 13 augustus 2010
hoe zou het zijn naast u te zijn, om naast u te ontwaken?
koffie met u drinken, boven krant en opgevouwen nacht. niet eens praten, niet eens dat.
Johnny speelt voor ons vanmorgen, lui te eten zitten wij.
hond ligt onder tafel, ik warm aan haar mijn voeten.
druk dikke kussen op mijn wang, ik wil u vandaag niet missen, niet. ik wil met u mee.
blijf liever naast mij zitten. naast mij en hond, die zo diep slaapt.
geef mij nog van u, ik kan u niet zomaar lossen. ik wil mijn armen om u slaan, u bergen.
door uw haren gaan met mijn lange, dunne vingers. ze wentelen om u.
uw hand rond mij, ge warmt mij zo voor ge weer vertrekt.
ik kan enkel bij u zijn, meer heb ik niet te geven.
kom mee met mij naar Nederland, ik toon u alle plaatsen waar ik thuis ben, waar ik woon.
ik loop met u tussen bomen, zie tussen de takken door en leid u naar veel verder.
ge ligt in mijn schoot en doet uw ogen open. laat mij hopen op wat komt, op wat nog zal gebeuren. troost mij met een kus, ik smeer u een boterham.
't is hoe wij zijn, volledig. vol en ver.
ach, ik wil u strelen,
aaien, horen, hier bij mij.
vent, ik wil niks missen van elk woord dat ge
schrijft aan mij. en schrijf. blijf bij mij. bij mij.
koffie met u drinken, boven krant en opgevouwen nacht. niet eens praten, niet eens dat.
Johnny speelt voor ons vanmorgen, lui te eten zitten wij.
hond ligt onder tafel, ik warm aan haar mijn voeten.
druk dikke kussen op mijn wang, ik wil u vandaag niet missen, niet. ik wil met u mee.
blijf liever naast mij zitten. naast mij en hond, die zo diep slaapt.
geef mij nog van u, ik kan u niet zomaar lossen. ik wil mijn armen om u slaan, u bergen.
door uw haren gaan met mijn lange, dunne vingers. ze wentelen om u.
uw hand rond mij, ge warmt mij zo voor ge weer vertrekt.
ik kan enkel bij u zijn, meer heb ik niet te geven.
kom mee met mij naar Nederland, ik toon u alle plaatsen waar ik thuis ben, waar ik woon.
ik loop met u tussen bomen, zie tussen de takken door en leid u naar veel verder.
ge ligt in mijn schoot en doet uw ogen open. laat mij hopen op wat komt, op wat nog zal gebeuren. troost mij met een kus, ik smeer u een boterham.
't is hoe wij zijn, volledig. vol en ver.
ach, ik wil u strelen,
aaien, horen, hier bij mij.
vent, ik wil niks missen van elk woord dat ge
schrijft aan mij. en schrijf. blijf bij mij. bij mij.
ik hou u tegen mij en kan nauwelijks ontkennen dat, met schaamrood op de wangen, het wààr is wat men zegt.
wie heeft het u verteld? vraag ik, maar gij kunt enkel lachen, flauw glimlachen, en daaruit concluderen: wat ze zeggen is dus waar.
niet en nooit kan ik u zeggen, u vertellen, hoe het komt en hoe het zij. och ge kwam binnen en ik straalde, ik vond u, diep in mij.
hoe ik zo koppig ben geworden? door u. ik laat nooit meer los, niet.
ge voedt mij, doet mij schrijven, haalt het binnenste uit mij en dat is heerlijk. eindigt niet en bovendien, we gaan enkel vooruit.
aan zee zit ik, met u naast mij, en wat ik zo zou willen?
wind door hart en haar.
languit liggen op mijn rug en naar wolken staren.
ik strek mijn arm en voel u, raak u.
ge draait uw hoofd naar mij.
nu is 't aan mij om slechts te lachen, de zon brandt op mijn armen.
ik rij naast u, we zwijgen, zeggen enkel wat niet hardop wordt gezegd.
ge begint te zingen. 't is zo hoe gij het doet, binnendringen in hier mij, en daar schoon blijven wonen.
nee, gij. ge rijdt, tikt vrolijk met uw vingers als ik lees en bij u ben. ik proef zout op mijn lippen en draai het raampje naar benee.
zo zie ik u, terwijl ik naast u sta.
mijn hoofd tegen uw schouder.
ik leun op u.
uw hand hangt langzaam om mijn middel.
ik zeg: 'blijf in mij, altijd' en sluit mijn ogen, voel nog uw kus op mijn gelaat.
wie heeft het u verteld? vraag ik, maar gij kunt enkel lachen, flauw glimlachen, en daaruit concluderen: wat ze zeggen is dus waar.
niet en nooit kan ik u zeggen, u vertellen, hoe het komt en hoe het zij. och ge kwam binnen en ik straalde, ik vond u, diep in mij.
hoe ik zo koppig ben geworden? door u. ik laat nooit meer los, niet.
ge voedt mij, doet mij schrijven, haalt het binnenste uit mij en dat is heerlijk. eindigt niet en bovendien, we gaan enkel vooruit.
aan zee zit ik, met u naast mij, en wat ik zo zou willen?
wind door hart en haar.
languit liggen op mijn rug en naar wolken staren.
ik strek mijn arm en voel u, raak u.
ge draait uw hoofd naar mij.
nu is 't aan mij om slechts te lachen, de zon brandt op mijn armen.
ik rij naast u, we zwijgen, zeggen enkel wat niet hardop wordt gezegd.
ge begint te zingen. 't is zo hoe gij het doet, binnendringen in hier mij, en daar schoon blijven wonen.
nee, gij. ge rijdt, tikt vrolijk met uw vingers als ik lees en bij u ben. ik proef zout op mijn lippen en draai het raampje naar benee.
zo zie ik u, terwijl ik naast u sta.
mijn hoofd tegen uw schouder.
ik leun op u.
uw hand hangt langzaam om mijn middel.
ik zeg: 'blijf in mij, altijd' en sluit mijn ogen, voel nog uw kus op mijn gelaat.
donderdag 5 augustus 2010
Slaapverhaal
lief,
ik kan niet, kan het niet. u vergeten, telkens weer.
't is aan u, 't spel is aan u, ik heb mijn laatste zet gezet.
als 't u lieft, kom mij dan vinden. praten, schoon, met mij. als het u lieft, mijn schoon, ver, lief. u binden, u vinden.
ge kunt, ik heb het u zien doen, ge kunt. u plooien over mij. uw ogen. ze zeggen dat ge kinderen wilt. vandaag en nu en nog. leg u, lig toch neer.
hoort ge 't? sluit uw ogen, ik vertel u een verhaal. van zand dat waait in 't Oosterland, in woeste, wilde polders. hoe ik -ge kunt het zien als ge goed kijkt- hoe ik daar zo kan staan. laarzen, lange laarzen aan, klaar voor berg omhoog, met haar. we kijken, we zien u, we wuiven. ik met hand en zij met staart. we wuiven.
ge wilt ons eigenlijk achterna, maar kunt uzelf niet volgen.
zo staan wij daar, we wachten.
zo zijn wij daar, we zijn gereed voor u.
ze voelt uw hand al op haar pels en schudt eens met haar oren.
ge klimt, ge zingt terwijl een liedje.
omdat ge wilt, omdat ge kunt.
uw hoofd is bijna boven. en zij loopt op u toe.
thans gaat ge door uw knieën, uw hand raakt nu haar rug.
ze zoekt naar mij, haar bruine ogen zijn waarlijk die van u.
ge doet om ter langste wimpers en gij wint. in aaibaar zijn wint zij, ze heeft tenslotte ook meer haren.
ziet ge 't? hou uw ogen toe, het is nog niet gedaan. ge zijt nog niet eens
boven.
zij loopt naar mij en lokt u mee, als om u de weg te wijzen.
zijt g' er? zeg ik en ik draai mijn hoofd naar de grote, lege lucht.
ge knikt, zet passen dichterbij, tot bijna bijna boven.
uw hand gaat in uw zakken, de grote zakken van uw jas, en zoeken.
ze vinden vuur en sigaretjes.
zij is alweer benee en loopt tussen de schapen. net een echte.
de laatste stap en ge zijt boven, ge komt naast mij staan en doet
uw vuur weer branden. de polderwind heeft uitgewaaid wat u
zo begeerlijk maakt.
ik zeg niks en zie naar vogels,
wijs ze in de verte aan.
ge trekt, ge knikt en dan verblaast
ge wolken achter wolken aan.
uw hand hangt langs uw zij.
ik roep haar bij haar naam, doch ze is
al lang vergeten wat ik daar weer mee bedoel.
ik tsjok achter haar aan, want god, ik wil haar oren voelen.
zacht als warme winterwanten dekken ze mij toe.
(zijt ge nog mee tot hier en toe, nog even ogen sluiten. ge slaapt nu echt bijna.)
nu staat gij daar
schoon vanboven en kunt ons zien, zoals wij gaan.
een kleine stip op vier/twee poten, ik voel uw blik ons volgen.
dan zet ge plots de vaart erin, laat uw benen lopen.
ge vangt ons bijna heel beneden en lacht om wat ge deed.
zij loopt en ik omarm u, twee armen tegelijk.
ziet, ge slaapt nu, lief, zo hoort het.
slaap u tegen mij.
ik kan niet, kan het niet. u vergeten, telkens weer.
't is aan u, 't spel is aan u, ik heb mijn laatste zet gezet.
als 't u lieft, kom mij dan vinden. praten, schoon, met mij. als het u lieft, mijn schoon, ver, lief. u binden, u vinden.
ge kunt, ik heb het u zien doen, ge kunt. u plooien over mij. uw ogen. ze zeggen dat ge kinderen wilt. vandaag en nu en nog. leg u, lig toch neer.
hoort ge 't? sluit uw ogen, ik vertel u een verhaal. van zand dat waait in 't Oosterland, in woeste, wilde polders. hoe ik -ge kunt het zien als ge goed kijkt- hoe ik daar zo kan staan. laarzen, lange laarzen aan, klaar voor berg omhoog, met haar. we kijken, we zien u, we wuiven. ik met hand en zij met staart. we wuiven.
ge wilt ons eigenlijk achterna, maar kunt uzelf niet volgen.
zo staan wij daar, we wachten.
zo zijn wij daar, we zijn gereed voor u.
ze voelt uw hand al op haar pels en schudt eens met haar oren.
ge klimt, ge zingt terwijl een liedje.
omdat ge wilt, omdat ge kunt.
uw hoofd is bijna boven. en zij loopt op u toe.
thans gaat ge door uw knieën, uw hand raakt nu haar rug.
ze zoekt naar mij, haar bruine ogen zijn waarlijk die van u.
ge doet om ter langste wimpers en gij wint. in aaibaar zijn wint zij, ze heeft tenslotte ook meer haren.
ziet ge 't? hou uw ogen toe, het is nog niet gedaan. ge zijt nog niet eens
boven.
zij loopt naar mij en lokt u mee, als om u de weg te wijzen.
zijt g' er? zeg ik en ik draai mijn hoofd naar de grote, lege lucht.
ge knikt, zet passen dichterbij, tot bijna bijna boven.
uw hand gaat in uw zakken, de grote zakken van uw jas, en zoeken.
ze vinden vuur en sigaretjes.
zij is alweer benee en loopt tussen de schapen. net een echte.
de laatste stap en ge zijt boven, ge komt naast mij staan en doet
uw vuur weer branden. de polderwind heeft uitgewaaid wat u
zo begeerlijk maakt.
ik zeg niks en zie naar vogels,
wijs ze in de verte aan.
ge trekt, ge knikt en dan verblaast
ge wolken achter wolken aan.
uw hand hangt langs uw zij.
ik roep haar bij haar naam, doch ze is
al lang vergeten wat ik daar weer mee bedoel.
ik tsjok achter haar aan, want god, ik wil haar oren voelen.
zacht als warme winterwanten dekken ze mij toe.
(zijt ge nog mee tot hier en toe, nog even ogen sluiten. ge slaapt nu echt bijna.)
nu staat gij daar
schoon vanboven en kunt ons zien, zoals wij gaan.
een kleine stip op vier/twee poten, ik voel uw blik ons volgen.
dan zet ge plots de vaart erin, laat uw benen lopen.
ge vangt ons bijna heel beneden en lacht om wat ge deed.
zij loopt en ik omarm u, twee armen tegelijk.
ziet, ge slaapt nu, lief, zo hoort het.
slaap u tegen mij.
woensdag 4 augustus 2010
elk woord dat ik u achterlaat, lief,
lijkt achteraf zo dwaas.
het staat te blozen als een kind van
twaalf, met lange blonde vlechten.
elke letter wordt gewogen voor zij onder
uw ogen komt, als kostbaar
kleine granen. ik plant ze, verplant ze.
verder bouw ik zinnen, die gij nooit
lezen zult. ik wil opnieuw beginnen.
van begin af aan.
zonder uitzonderlijke empathie.
gewoon, gij.
loop ik
tegen u aan.
omfloerst doe ik alsof, nonchalance
op en top, ge zou me nooit benauwen.
lucht dwaalt door mijn longen, op
een doods en loom gemak, ik
kan niet enkel knikken.
schaamte overspoelt mij soms, vooral
's ochtends vroeg, in bed.
voor ik mijn ogen heb gesloten niet,
dan nog niet. meteen.
pas als de zon verschijnt, als ik uren
heb verslapen.
ergens tussen apegapen en waken weet
ik weer
wat ik u heb staan vertellen.
schaamte.
blijkt niet van uw gelaat te lezen, dat
het u stoort. ge kunt u goed verstoppen.
wie niet ziet, is gezien.
het gaat niet meer over leemte.
het draait om u, om u.
als linten wikkelt het om mij,
meiboom in de lente. ik mag u niet
vergeten.
niet vertellen, nooit niet, nee.
niet vertellen, nooit niet
nee
de nacht kan enkel rusten
en slapen tot ik weer ontwaak
de donkerte verjagen.
strak de hemel,
als een trommelvel
ongeplooid gemoeid gelaten
als water drijven wolken door:
vlakke, warse banen
strepen in het hemelzicht
als striemen op mijn hart
mijn hart
het staat op springen
als hazen door een woeste hei
ik wil
opnieuw
beginnen
lijkt achteraf zo dwaas.
het staat te blozen als een kind van
twaalf, met lange blonde vlechten.
elke letter wordt gewogen voor zij onder
uw ogen komt, als kostbaar
kleine granen. ik plant ze, verplant ze.
verder bouw ik zinnen, die gij nooit
lezen zult. ik wil opnieuw beginnen.
van begin af aan.
zonder uitzonderlijke empathie.
gewoon, gij.
loop ik
tegen u aan.
omfloerst doe ik alsof, nonchalance
op en top, ge zou me nooit benauwen.
lucht dwaalt door mijn longen, op
een doods en loom gemak, ik
kan niet enkel knikken.
schaamte overspoelt mij soms, vooral
's ochtends vroeg, in bed.
voor ik mijn ogen heb gesloten niet,
dan nog niet. meteen.
pas als de zon verschijnt, als ik uren
heb verslapen.
ergens tussen apegapen en waken weet
ik weer
wat ik u heb staan vertellen.
schaamte.
blijkt niet van uw gelaat te lezen, dat
het u stoort. ge kunt u goed verstoppen.
wie niet ziet, is gezien.
het gaat niet meer over leemte.
het draait om u, om u.
als linten wikkelt het om mij,
meiboom in de lente. ik mag u niet
vergeten.
niet vertellen, nooit niet, nee.
niet vertellen, nooit niet
nee
de nacht kan enkel rusten
en slapen tot ik weer ontwaak
de donkerte verjagen.
strak de hemel,
als een trommelvel
ongeplooid gemoeid gelaten
als water drijven wolken door:
vlakke, warse banen
strepen in het hemelzicht
als striemen op mijn hart
mijn hart
het staat op springen
als hazen door een woeste hei
ik wil
opnieuw
beginnen
woensdag 28 juli 2010
hoe wil ik u en zelfs nog meer, de luchten worden grijzer. ál, nu al.
het is niet eens augustus.
ik maak mijn bed voor u, ge zijt ver weg. en ik zit u zo te missen.
het ruikt al naar bladeren buiten, vocht stijgt op uit zomergrond. die zal weer gaan kleuren, gauw, bruinrood.
ach, ik zoek zo naar een rust die zelfs gij niet bieden kunt, ik drentel heen en weer tussen hoofd en hart. ik slijt een vluchtweg uit. zig zag door mijn hals, langs binnen.
het stormt in mij, alweer. ik blijf steeds flauw analyseren, wikken, wegen, woorden meten.
nog en nog en nog.
ach gij en zit bij mij, kom mijn wild hart bergen, tussen bruine warme handen. sla u rond mij, mijn lief. ik aarzel ; weet niet meer waarheen dit gaat. ik kom nooit op adem.
zonder u.
ik zie de zee en zie een zee van tijd, de heerlijkheid. ik stapel boeken rond mijn bed. kan dagen liggen lezen met u naast mij, met u erbij.
ge moogt het mij zelfs vragen: of ik wil lezen wat ik lees, hardop en echt gezegd?
als uw hoofd rust in mijn schoot, uw ogen méér dan toe, ge slaapt.
ge hebt uw oor tegen mijn buik en hoort het binnen bonzen.
mijn hart, mijn hart, mijn hart, mijn hart.
het slaat zo snel met u bij mij. ik aai over uw wangen. ze prikken.
zo en schoon ligt gij en droomt bij mij. terwijl ik voor u lees. ge hoort de klanken zoemen. ge hoort mijn hand over papier als ik het blad omsla. en slaap en rust op mij, mijn vent, mijn hand ligt op uw borst.
ik leg het boek naast mij en zucht en doe ook mijn ogen toe.
het is niet eens augustus.
ik maak mijn bed voor u, ge zijt ver weg. en ik zit u zo te missen.
het ruikt al naar bladeren buiten, vocht stijgt op uit zomergrond. die zal weer gaan kleuren, gauw, bruinrood.
ach, ik zoek zo naar een rust die zelfs gij niet bieden kunt, ik drentel heen en weer tussen hoofd en hart. ik slijt een vluchtweg uit. zig zag door mijn hals, langs binnen.
het stormt in mij, alweer. ik blijf steeds flauw analyseren, wikken, wegen, woorden meten.
nog en nog en nog.
ach gij en zit bij mij, kom mijn wild hart bergen, tussen bruine warme handen. sla u rond mij, mijn lief. ik aarzel ; weet niet meer waarheen dit gaat. ik kom nooit op adem.
zonder u.
ik zie de zee en zie een zee van tijd, de heerlijkheid. ik stapel boeken rond mijn bed. kan dagen liggen lezen met u naast mij, met u erbij.
ge moogt het mij zelfs vragen: of ik wil lezen wat ik lees, hardop en echt gezegd?
als uw hoofd rust in mijn schoot, uw ogen méér dan toe, ge slaapt.
ge hebt uw oor tegen mijn buik en hoort het binnen bonzen.
mijn hart, mijn hart, mijn hart, mijn hart.
het slaat zo snel met u bij mij. ik aai over uw wangen. ze prikken.
zo en schoon ligt gij en droomt bij mij. terwijl ik voor u lees. ge hoort de klanken zoemen. ge hoort mijn hand over papier als ik het blad omsla. en slaap en rust op mij, mijn vent, mijn hand ligt op uw borst.
ik leg het boek naast mij en zucht en doe ook mijn ogen toe.
zondag 18 juli 2010
lief mijn vent,
ik weet het wel, en toch wint mijn
hart. ik hou van u, ik heb u graag, dicht
bij mij, apart.
en ieder een die ik toch spreek,
van mijn liefde, voor u, vent, ze zien
het niet, hoe ik u zie.
geeneen die mij kent.
vol van u, zo vol van u, van alles
wat ge zijt. ogen, hart en handen, lief,
uw lijf hier dicht bij mij.
ik zie het niet, ik wil niet zien, hoe
zij u zien, oh nee.
ze zien u anders, oh zo anders.
mijn lief, vent, neem me mee.
geen woorden kunnen ooit omschrijven
wat ge doet met mijn klein hart.
het gaat mijn verstand te boven,
't is mijn hoofd dat ge verwart.
ik heb u mijn binnenste, ik hou
u dicht bij mij. kan u toch zo niet
laten gaan, daarbuiten.
er is maar één, en dat zijt gij.
hoe ik u zo zou willen, vent,
in mijn armen, in mijn bed.
u troosten als ge donker zijt,
er zijn als wie u redt.
't is dat wat ik wil, het bijeen rapen
van uw zo schabouwelijk hart.
de scherven van u samenvegen,
u verlossen van wat u tart.
ge zijt geeneens wat ik u
vormde, van ver noch van dichtbij.
ik heb u van dicht bekeken,
ge staat zo ver van u, van mij.
ik wil u in mijn armen houwen,
als ge thuiskomt van uw spel.
u vragen hoe het was vanavond,
oh mijn lief, ge weet het wel.
ik heb u in mijn hart gehouwen,
er is plaats voor niemand meer.
niemand kan uw plaats
volstouwen ; het doet mijn hert maar
enkel zeer.
och vent gij lief, ik geef mij over aan
uw dansen, uw gewals
ik zal in uw ogen kijken en vertellen,
enkel als
ge belooft voor u te houden,
wat ik zeg en wat ik schrei.
mijn hart behoort slechts u nog toe.
ge woont nog steeds in mij.
dagen zou ik kunnen schrijven,
over hoe en wat en zeg
dat g'ontroert zijt door de letters
die ik van mij schrijf, zó weg
uit mijn hoofd en uit mijn leden,
ik beschouw u als kortbij.
ge hoeft nog maar één stap te zetten,
vlei uw hoofd in schoot en zij
zal uit uw gedachten vlieden,
ze bestaat niet meer, nooit meer
ik kan u naar veel verder leiden,
't is al dat dat ik u leer.
mijn vent,
ik heb mijn ogen open, ookal zegt
ieder van niet.
ik kan slechts denken aan de
leemte die gij vult met een
schoon lied.
heelder nachten kan ik pennen
over wat ge doet met mij
over hoe uw vingers dansen,
daarmee maakt ge mij zo blij.
't is hoe het is, het is niet anders
ge vult mij met zoveel
niemand die het ziet, doch, liefste
geeneen met wie ik deel.
ze verstààn niet wat ge doet
met mij. hoe ge danst door hart en haar
ze vertellen hoe ze ù zien, liefste,
wat ze zeggen, is niet waar.
ik zie u dicht bij mij
en schud de tranen in
mijn hoofd,
ze klotsen, hoog, weer naar beneden
en geneen die mij gelooft.
hoe ge mij weer hebt geschapen
wie ik ben en wie ik was
ge maakt mij zoveel beter, liefste,
ik wou dat ik de uwe was.
ik weet het wel, en toch wint mijn
hart. ik hou van u, ik heb u graag, dicht
bij mij, apart.
en ieder een die ik toch spreek,
van mijn liefde, voor u, vent, ze zien
het niet, hoe ik u zie.
geeneen die mij kent.
vol van u, zo vol van u, van alles
wat ge zijt. ogen, hart en handen, lief,
uw lijf hier dicht bij mij.
ik zie het niet, ik wil niet zien, hoe
zij u zien, oh nee.
ze zien u anders, oh zo anders.
mijn lief, vent, neem me mee.
geen woorden kunnen ooit omschrijven
wat ge doet met mijn klein hart.
het gaat mijn verstand te boven,
't is mijn hoofd dat ge verwart.
ik heb u mijn binnenste, ik hou
u dicht bij mij. kan u toch zo niet
laten gaan, daarbuiten.
er is maar één, en dat zijt gij.
hoe ik u zo zou willen, vent,
in mijn armen, in mijn bed.
u troosten als ge donker zijt,
er zijn als wie u redt.
't is dat wat ik wil, het bijeen rapen
van uw zo schabouwelijk hart.
de scherven van u samenvegen,
u verlossen van wat u tart.
ge zijt geeneens wat ik u
vormde, van ver noch van dichtbij.
ik heb u van dicht bekeken,
ge staat zo ver van u, van mij.
ik wil u in mijn armen houwen,
als ge thuiskomt van uw spel.
u vragen hoe het was vanavond,
oh mijn lief, ge weet het wel.
ik heb u in mijn hart gehouwen,
er is plaats voor niemand meer.
niemand kan uw plaats
volstouwen ; het doet mijn hert maar
enkel zeer.
och vent gij lief, ik geef mij over aan
uw dansen, uw gewals
ik zal in uw ogen kijken en vertellen,
enkel als
ge belooft voor u te houden,
wat ik zeg en wat ik schrei.
mijn hart behoort slechts u nog toe.
ge woont nog steeds in mij.
dagen zou ik kunnen schrijven,
over hoe en wat en zeg
dat g'ontroert zijt door de letters
die ik van mij schrijf, zó weg
uit mijn hoofd en uit mijn leden,
ik beschouw u als kortbij.
ge hoeft nog maar één stap te zetten,
vlei uw hoofd in schoot en zij
zal uit uw gedachten vlieden,
ze bestaat niet meer, nooit meer
ik kan u naar veel verder leiden,
't is al dat dat ik u leer.
mijn vent,
ik heb mijn ogen open, ookal zegt
ieder van niet.
ik kan slechts denken aan de
leemte die gij vult met een
schoon lied.
heelder nachten kan ik pennen
over wat ge doet met mij
over hoe uw vingers dansen,
daarmee maakt ge mij zo blij.
't is hoe het is, het is niet anders
ge vult mij met zoveel
niemand die het ziet, doch, liefste
geeneen met wie ik deel.
ze verstààn niet wat ge doet
met mij. hoe ge danst door hart en haar
ze vertellen hoe ze ù zien, liefste,
wat ze zeggen, is niet waar.
ik zie u dicht bij mij
en schud de tranen in
mijn hoofd,
ze klotsen, hoog, weer naar beneden
en geneen die mij gelooft.
hoe ge mij weer hebt geschapen
wie ik ben en wie ik was
ge maakt mij zoveel beter, liefste,
ik wou dat ik de uwe was.
zee - Charlestown
lief och vent
en neem mij mee
naar schone volle verre zee
we slapen
onder oude lakens
kleven van zand en zweet
ik zag u lachen
zitten
lezen
zelfs
en tussendoor
een glimlach op uw lippen
ge rook naar u,
mijn vent,
ge zijt uzelf
streek een hand door
haar
en hart,
mijn hart
behoort tot u
met voeten
in de volle zee
ik wuif naar u
niet echt
maar zie u
daar zo zitten
we gaan,
laten water over
lijven lopen
in kamers
zo warm
de lucht is
veel te zwaar
we liggen
uw rug raakt
mijn blote buik
ik hou u
leg een arm
over uw schouder
en blaas lucht
tegen uw oor
oh lief,
uw haren waaien
keer u om
en kijk en zie mij
ge drukt een kus
op mijn gezicht
ik brand
proef zout en
knarsend zand
tussen mijn tanden
als ik mijn neus
in haren duw
ik wil u
zo
bij mij
ik zie uw vingers
dansen
met het laken,
op en neer
ge probeert het
koel te maken
ik schuif dichter,
vol van u,
leg u dicht bij mij
oh gij
laat uw handen
strelen
op mijn zoute, warme lijf
ik druk mijn lippen
op uw wangen
en koester dat het prikt
ik aai
en kan u zo
niet overlaten
aan het donker van de nacht
veel te warm
om nu te vrijen
veel te zilt, te zout
zij wij
laat mij
tóch uw lichaam
voelen
nu ge hier
dicht bij mij
zijt
en neem mij mee
naar schone volle verre zee
we slapen
onder oude lakens
kleven van zand en zweet
ik zag u lachen
zitten
lezen
zelfs
en tussendoor
een glimlach op uw lippen
ge rook naar u,
mijn vent,
ge zijt uzelf
streek een hand door
haar
en hart,
mijn hart
behoort tot u
met voeten
in de volle zee
ik wuif naar u
niet echt
maar zie u
daar zo zitten
we gaan,
laten water over
lijven lopen
in kamers
zo warm
de lucht is
veel te zwaar
we liggen
uw rug raakt
mijn blote buik
ik hou u
leg een arm
over uw schouder
en blaas lucht
tegen uw oor
oh lief,
uw haren waaien
keer u om
en kijk en zie mij
ge drukt een kus
op mijn gezicht
ik brand
proef zout en
knarsend zand
tussen mijn tanden
als ik mijn neus
in haren duw
ik wil u
zo
bij mij
ik zie uw vingers
dansen
met het laken,
op en neer
ge probeert het
koel te maken
ik schuif dichter,
vol van u,
leg u dicht bij mij
oh gij
laat uw handen
strelen
op mijn zoute, warme lijf
ik druk mijn lippen
op uw wangen
en koester dat het prikt
ik aai
en kan u zo
niet overlaten
aan het donker van de nacht
veel te warm
om nu te vrijen
veel te zilt, te zout
zij wij
laat mij
tóch uw lichaam
voelen
nu ge hier
dicht bij mij
zijt
vrijdag 16 juli 2010
"and i am unhome again, in a house that is not mine.
cinnamon and tea i feel, it rests upon my shoulder, looks for shelter in my head, while suzanne sings forever.
and calling for you, expanding my thought, towards no one but yourself, lying on the bottom of a heart that is
unbeaten.
in battle.
and love, do come near me tonight, i walk inside your head, i do, searching for a spot where i could take a rest, i could.
and so i live inside my unhome feeling, on nights thrown out like this, like a laundry in a garden, while wind goes through my hair. it does.
and sit here and read and maybe often mumble. look up and regain what you read for me. collect your bravest thoughts and yes
wipe away desire and put down yourself instead. instead of unhome feelings, tea and how i smile about a balance
in my head.
cinnamon and tea i feel, it rests upon my shoulder, looks for shelter in my head, while suzanne sings forever.
and calling for you, expanding my thought, towards no one but yourself, lying on the bottom of a heart that is
unbeaten.
in battle.
and love, do come near me tonight, i walk inside your head, i do, searching for a spot where i could take a rest, i could.
and so i live inside my unhome feeling, on nights thrown out like this, like a laundry in a garden, while wind goes through my hair. it does.
and sit here and read and maybe often mumble. look up and regain what you read for me. collect your bravest thoughts and yes
wipe away desire and put down yourself instead. instead of unhome feelings, tea and how i smile about a balance
in my head.
dinsdag 6 juli 2010
hé
hé,
in jouw hemd
wil ik slapen
in jouw hoofd
wil ik zijn
in armen
wil ik kunnen
rusten
in warme armen
die zijn
mijn
lief, vent,
mijn beurt
om week te worden
niet te weten
waar nu heen
ik wil verdwijnen
in uw leven
zoals gij
vind ik
geeneen
ge zijt
ge zijt
mijn woeste vent
die van geen hout
toch pijlen maakt
ge schiet ze af
diep in mijn hart
zó diep
dat ge het midden
raakt
het weekste zachtste
van mijn hart
behoort u toe
mijn lief
slechts u
ik wil nooit geen
ander meer
wat ik wil, vent,
is u nu.
in jouw hemd
wil ik slapen
in jouw hoofd
wil ik zijn
in armen
wil ik kunnen
rusten
in warme armen
die zijn
mijn
lief, vent,
mijn beurt
om week te worden
niet te weten
waar nu heen
ik wil verdwijnen
in uw leven
zoals gij
vind ik
geeneen
ge zijt
ge zijt
mijn woeste vent
die van geen hout
toch pijlen maakt
ge schiet ze af
diep in mijn hart
zó diep
dat ge het midden
raakt
het weekste zachtste
van mijn hart
behoort u toe
mijn lief
slechts u
ik wil nooit geen
ander meer
wat ik wil, vent,
is u nu.
zondag 27 juni 2010
strootje, boontje en kooltje vuur
Er was er eens een heel oud vrouwke
dat een maaltijd ging bereiden
Ze zou een potje bonen brouwen
en daarmee haar maag verblijden
Ze nam een handje stro voor 't vuurke,
maar morste daarbij op de grond
Eén strootje gleed al naar beneden,
vond daar een kooltje, zwart en rond
Ook een boontje wist te vluchten
Hij zag tussendoor een kans
Het Boontje, Strootje en het Kooltje
ontsprongen zo de Dodendans
Boontje, Strootje en het Kooltje
wilden graag de wereld in
Trokken samen uit de keuken,
geen hindernis was hen te min
Ze kwamen aan een kolkend water,
bij nader inzien, 't bleek een sloot
't Strootje wierp zich over 't beekje,
bewees de dienst als strooien vloot
Kooltje stak als eerste over
maar brandde 't Strootje los in twee
Beiden gingen kopje onder
Boontje lachte daar eens mee
't Lachen leek maar aan te houden,
Boontje lachte zich een scheur
ter hoogte van zijn navelbuikje
Zijn naadje scheurde helemaal deur
Ten toeval wie daar net passeerde,
een kleermaker trok door de streek
Hij maakte 't scheurtje mooi ten ende,
naaide met een schone steek
het buikje van de Boon gesloten
een rechte lijn over zijn buik
met zwarte draad, hij had niet anders
Wit op zwart, het stond wel puik
Boontjes hebben tot op heden
het lijntje van hun oom geërfd
Ze zijn van hoog tot heel beneden
met een zwarte lijn generfd
dat een maaltijd ging bereiden
Ze zou een potje bonen brouwen
en daarmee haar maag verblijden
Ze nam een handje stro voor 't vuurke,
maar morste daarbij op de grond
Eén strootje gleed al naar beneden,
vond daar een kooltje, zwart en rond
Ook een boontje wist te vluchten
Hij zag tussendoor een kans
Het Boontje, Strootje en het Kooltje
ontsprongen zo de Dodendans
Boontje, Strootje en het Kooltje
wilden graag de wereld in
Trokken samen uit de keuken,
geen hindernis was hen te min
Ze kwamen aan een kolkend water,
bij nader inzien, 't bleek een sloot
't Strootje wierp zich over 't beekje,
bewees de dienst als strooien vloot
Kooltje stak als eerste over
maar brandde 't Strootje los in twee
Beiden gingen kopje onder
Boontje lachte daar eens mee
't Lachen leek maar aan te houden,
Boontje lachte zich een scheur
ter hoogte van zijn navelbuikje
Zijn naadje scheurde helemaal deur
Ten toeval wie daar net passeerde,
een kleermaker trok door de streek
Hij maakte 't scheurtje mooi ten ende,
naaide met een schone steek
het buikje van de Boon gesloten
een rechte lijn over zijn buik
met zwarte draad, hij had niet anders
Wit op zwart, het stond wel puik
Boontjes hebben tot op heden
het lijntje van hun oom geërfd
Ze zijn van hoog tot heel beneden
met een zwarte lijn generfd
Assepoes
"Wie kent er niet
het schoon verhaal
van het meisje Assepoes?"
Assepoes, verweesd was zij
na het sterven van haar
moeder
Amper één jaar
na dat sterven,
hertrouwde pa met
stiefgeloeder
't Stiefgeloeder had twee dochters,
stiefzus één en stiefzus twee
Omdat zij minderjarig waren,
kwamen zij met Stiefmoe mee
Ze betrokken het kasteel,
stuurden Assepa ver heen,
namen Assepoes als dienstmeid
Stiefmoe bleek plots zeer gemeen
Stiefzus één en stiefzus twee
aardden naar hun valse moer,
pestten Assepoes dagdagelijks,
gaven haar slechts varkensvoer
Op een dag,
het kon niet waar zijn:
Prins de Eerste
gaf een bal!
De zussen wilden
prachtig blinken
En Assepoes?
U weet het al
Ze zorgde voor de baljurken
van het Stiefgemoei plus twee
Had zelf ocharm
geen schone kleren,
dus, Assepoes, zij kon niet mee
Toen zette zij zich
zo te huilen
op haar lieve moeders graf
Het boompje dat daarboven bloeide,
wierp een bloesemjurkje af
En in de holte van de stam
schitterde zowaar
wit als sneeuw
maar oh zo glanzend,
een passend glazenmuiltjespaar
Ook verscheen
een gouden koets
gegroeid als kool uit een pompoen
Ze diende nog slechts in te stijgen,
het koetsje zou de rest wel doen
Ratelend vertrok zij daar,
in de gouden vrucht op wielen,
bij aankomst aan het Koningshuis
ging iedereen voor haar aan 't knielen
Schreed zij binnen
op haar hakken,
zag de Prins en hij zag haar
"Dansen wil ik, schone jongen,
op mijn glazenmuiltjespaar!"
Na uren walsen
in zijn armen
in haar kersenbloemgewaad,
leek zij toen een klok te horen
't Was ten twaalven,
veel te laat
De bloesems van haar jurk verwelkten,
vielen van haar slanke lijf
't Was geen zicht,
zo zonder baljurk
werd zij zo weer Assewijf
Assepoester stopte 't walsen,
wist heel goed wat nu te doen,
donderde de trappen af
en verloor daarbij een schoen
's Anderendaags,
al bij het starten
van een nieuwe arbeidsdag,
ging Assepoes alweer aan 't zwoegen
met op haar mond een gulle lach
Op de voordeur
eensklaps hoorde
't Stiefgemoei een slag of zes
Een lakei en Prins de Eerste
stonden samen op 't bordes
Wankel rustend
op een kussen,
glanzend als de volle maan,
lag Assepoesjes glazen muiltje
"Wie het past, trekke het aan!"
Het Stiefgezusterte probeerde,
wurmde en wrong
met hun dikke Stiefgeteente,
tot het muiltje bijna sprong
Ten lange leste -eindelijk!-
mocht Assepoes een poging wagen
Haar voetje, slank en zacht van huid
gleed als vanzelf in 't glazen muiltje
Prins de Eerste had zijn bruid!
't Meisje haalde 't andere muiltje
uit haar rafelige schort,
schoof het aan haar andere voetje
't Afscheid verder viel haar kort
Prins de Eerste hielp het bruidje
in zijn koets, op weg naar huis
zou gauw met Assepoes gaan trouwen
Nooit deed zij nog de grote kuis...
het schoon verhaal
van het meisje Assepoes?"
Assepoes, verweesd was zij
na het sterven van haar
moeder
Amper één jaar
na dat sterven,
hertrouwde pa met
stiefgeloeder
't Stiefgeloeder had twee dochters,
stiefzus één en stiefzus twee
Omdat zij minderjarig waren,
kwamen zij met Stiefmoe mee
Ze betrokken het kasteel,
stuurden Assepa ver heen,
namen Assepoes als dienstmeid
Stiefmoe bleek plots zeer gemeen
Stiefzus één en stiefzus twee
aardden naar hun valse moer,
pestten Assepoes dagdagelijks,
gaven haar slechts varkensvoer
Op een dag,
het kon niet waar zijn:
Prins de Eerste
gaf een bal!
De zussen wilden
prachtig blinken
En Assepoes?
U weet het al
Ze zorgde voor de baljurken
van het Stiefgemoei plus twee
Had zelf ocharm
geen schone kleren,
dus, Assepoes, zij kon niet mee
Toen zette zij zich
zo te huilen
op haar lieve moeders graf
Het boompje dat daarboven bloeide,
wierp een bloesemjurkje af
En in de holte van de stam
schitterde zowaar
wit als sneeuw
maar oh zo glanzend,
een passend glazenmuiltjespaar
Ook verscheen
een gouden koets
gegroeid als kool uit een pompoen
Ze diende nog slechts in te stijgen,
het koetsje zou de rest wel doen
Ratelend vertrok zij daar,
in de gouden vrucht op wielen,
bij aankomst aan het Koningshuis
ging iedereen voor haar aan 't knielen
Schreed zij binnen
op haar hakken,
zag de Prins en hij zag haar
"Dansen wil ik, schone jongen,
op mijn glazenmuiltjespaar!"
Na uren walsen
in zijn armen
in haar kersenbloemgewaad,
leek zij toen een klok te horen
't Was ten twaalven,
veel te laat
De bloesems van haar jurk verwelkten,
vielen van haar slanke lijf
't Was geen zicht,
zo zonder baljurk
werd zij zo weer Assewijf
Assepoester stopte 't walsen,
wist heel goed wat nu te doen,
donderde de trappen af
en verloor daarbij een schoen
's Anderendaags,
al bij het starten
van een nieuwe arbeidsdag,
ging Assepoes alweer aan 't zwoegen
met op haar mond een gulle lach
Op de voordeur
eensklaps hoorde
't Stiefgemoei een slag of zes
Een lakei en Prins de Eerste
stonden samen op 't bordes
Wankel rustend
op een kussen,
glanzend als de volle maan,
lag Assepoesjes glazen muiltje
"Wie het past, trekke het aan!"
Het Stiefgezusterte probeerde,
wurmde en wrong
met hun dikke Stiefgeteente,
tot het muiltje bijna sprong
Ten lange leste -eindelijk!-
mocht Assepoes een poging wagen
Haar voetje, slank en zacht van huid
gleed als vanzelf in 't glazen muiltje
Prins de Eerste had zijn bruid!
't Meisje haalde 't andere muiltje
uit haar rafelige schort,
schoof het aan haar andere voetje
't Afscheid verder viel haar kort
Prins de Eerste hielp het bruidje
in zijn koets, op weg naar huis
zou gauw met Assepoes gaan trouwen
Nooit deed zij nog de grote kuis...
donderdag 10 juni 2010
vent,
ik wil u
wil slechts u
geen ander doet dit
zo met mij
ik wil uw lijf bij mij,
in armen
ik wil u
horen kreunen
wil zien een lach
op uw gelaat
vent, lief,
ben zot van alles
wat ge zijt
noten, amper woorden
ben trots op u
wil dwalen
reizen in uw
hoofd
ja vent
reizen, ver met u
amerika
ik zie hoe ge zijt
en heb daar vrede
mee
zo ge zijt,
zal ik u houwen
vasthouwen
vent, och vent,
ge zijt van mij
ik wil lezen
als ge speelt
als ge staat
en letters zingt
wonen in uw hoofd
onschuldig tussen
armen schuilen
als suzanne zingt,
altijd
vent, lief,
ik wil beminnen
niet steeds weer
opnieuw beginnen
dromen, net als gij
u verlossen
van uw angsten
van uw drempels,
uw verdriet
door uw tranen
en uw hartzeer,
lief,
ziet gij de liefde niet...
ik wil u
wil slechts u
geen ander doet dit
zo met mij
ik wil uw lijf bij mij,
in armen
ik wil u
horen kreunen
wil zien een lach
op uw gelaat
vent, lief,
ben zot van alles
wat ge zijt
noten, amper woorden
ben trots op u
wil dwalen
reizen in uw
hoofd
ja vent
reizen, ver met u
amerika
ik zie hoe ge zijt
en heb daar vrede
mee
zo ge zijt,
zal ik u houwen
vasthouwen
vent, och vent,
ge zijt van mij
ik wil lezen
als ge speelt
als ge staat
en letters zingt
wonen in uw hoofd
onschuldig tussen
armen schuilen
als suzanne zingt,
altijd
vent, lief,
ik wil beminnen
niet steeds weer
opnieuw beginnen
dromen, net als gij
u verlossen
van uw angsten
van uw drempels,
uw verdriet
door uw tranen
en uw hartzeer,
lief,
ziet gij de liefde niet...
woensdag 2 juni 2010
by all means
by all means,
it's June now
dear
how well i am-
no you
it's floating
quite all over me
how well i am?
no you
dear, love,
in all you've
given me
and see me here
- no you
all i am
is hollow
dear
a cover,
still no you
how you had
your fingers
dear
wrapped up 'round me
oh you
a void is coming
over me,
fills me up with
melancholy
i see you,
how you were to me
and now in bed,
no you
love, in all
you said to me
i feel tries and
- distance, dear
how you spoke
and set me free
pages full of
wanting, greed
and so far
no you
dear, how you've
wrapped your
arms
around
sounds
in which i might have
found
a brave new heart
that's pounding loud
and when i speak
oh you
hardly say a
word to me
afraid, dear,
of what could just be?
fear was growing
over me
but now, my dear,
no you
seldom, i have seen
my love
a man so brave
but blue
over lost, long and
forgotten loves
i guess, oh dear,
that's you.
it's June now
dear
how well i am-
no you
it's floating
quite all over me
how well i am?
no you
dear, love,
in all you've
given me
and see me here
- no you
all i am
is hollow
dear
a cover,
still no you
how you had
your fingers
dear
wrapped up 'round me
oh you
a void is coming
over me,
fills me up with
melancholy
i see you,
how you were to me
and now in bed,
no you
love, in all
you said to me
i feel tries and
- distance, dear
how you spoke
and set me free
pages full of
wanting, greed
and so far
no you
dear, how you've
wrapped your
arms
around
sounds
in which i might have
found
a brave new heart
that's pounding loud
and when i speak
oh you
hardly say a
word to me
afraid, dear,
of what could just be?
fear was growing
over me
but now, my dear,
no you
seldom, i have seen
my love
a man so brave
but blue
over lost, long and
forgotten loves
i guess, oh dear,
that's you.
zondag 30 mei 2010
kom zacht naast mij zitten,
lief, nestel u in armen.
streel. maak dode dromen in mij wakker
en vergeet. wat ik zeg en zei bij u.
bij maan en held're sterren, bij kijken
naar elkaar.
dorsten laven, honger voeden,
wachten op steeds meer.
verlangen, naar koffie in uw hand,
naar dunne slierten rook
en spelen. vastberaden.
dat loslaten ook. dat eeuwige dwalen.
omarmen van vluchtige kussen.
verlucht en verlaten tussen
bladgroen zit ik.
trek recht en omarm, lief.
verwar niet langer meer.
lief, nestel u in armen.
streel. maak dode dromen in mij wakker
en vergeet. wat ik zeg en zei bij u.
bij maan en held're sterren, bij kijken
naar elkaar.
dorsten laven, honger voeden,
wachten op steeds meer.
verlangen, naar koffie in uw hand,
naar dunne slierten rook
en spelen. vastberaden.
dat loslaten ook. dat eeuwige dwalen.
omarmen van vluchtige kussen.
verlucht en verlaten tussen
bladgroen zit ik.
trek recht en omarm, lief.
verwar niet langer meer.
dinsdag 4 mei 2010
lief och vent,
gij dwaze vogel, wentel u niet zo
in oude zeren, hartenzeren, wentel
u niet zo
in zelfmedelij
och gij,
ach vent,
en pak u samen
zoek uw scherven toch
bijeen
laat ze lijmen,
doe ze lijmen
weerom schijnen
zonder hart
bestaat geeneen.
verstop u niet in
lange grassen
grauwe drassige
moerassen
waarin kikkers
vlinders zijn
ach vent
en laat u zo niet leiden
zo niet lijden
door uw pijn
zij
woont al menig schone
jaren
in de armen
van een ander
ander, schoner lief
en toch
kunt gij nog
niet laten glijden
u verblijden
aan een
maagd die
wil van nog
ach vent,
och lief
wie kan u redden
van uw zwart
schabouwelijk hart
reeds gebroken
lang gebroken
zo verwordt men dus
een bard die dammen bouwt
en muren optrekt,
rond zich,
helemaal apart
och gij dwaze domme
vogel,
zijt ge blind voor
wat hier staat?
uw ogen werden
uitgestoken
't is de wal die u verraadt
hoe gij zo zijt gekomen, vent
ach vertel dat toch meteen
in uw ogen, hart en handen
wilt gij één of helemaal
geen
grijp u toch tesamen,
liefste
sla uw vleugels toch
eens uit
veeg dat zwarte roet
naar buiten
gooi af die olifantenhuid
verwordt een
ware man, mijn beste,
liefste, schoonste, verste vent
praat niet
langer als
een vogel
van wie men het lied herkent
als zware tranen
doet gij 't klinken,
't rust zo zwaar
op uw gemoed
blijf toch niet
steeds verder zinken.
hef uw hoofd zoals
het moet
na zware lange
tegenslagen
mag men droevig zijn,
zelfs triest
maar verweer u tegen
vlagen
waarbij men het hoofd
verliest
lief och vent,
ik kan niet redden
het zwaargekwetst, verwond
gebroed
dat gij zijt verworden,
sinds zij koos voor nader bloed
trek u op,
open uw ogen
zet uw trots en pijn opzij
open hart en handen,
vogel,
verlicht uw hoofd
en lach naar mij.
gij dwaze vogel, wentel u niet zo
in oude zeren, hartenzeren, wentel
u niet zo
in zelfmedelij
och gij,
ach vent,
en pak u samen
zoek uw scherven toch
bijeen
laat ze lijmen,
doe ze lijmen
weerom schijnen
zonder hart
bestaat geeneen.
verstop u niet in
lange grassen
grauwe drassige
moerassen
waarin kikkers
vlinders zijn
ach vent
en laat u zo niet leiden
zo niet lijden
door uw pijn
zij
woont al menig schone
jaren
in de armen
van een ander
ander, schoner lief
en toch
kunt gij nog
niet laten glijden
u verblijden
aan een
maagd die
wil van nog
ach vent,
och lief
wie kan u redden
van uw zwart
schabouwelijk hart
reeds gebroken
lang gebroken
zo verwordt men dus
een bard die dammen bouwt
en muren optrekt,
rond zich,
helemaal apart
och gij dwaze domme
vogel,
zijt ge blind voor
wat hier staat?
uw ogen werden
uitgestoken
't is de wal die u verraadt
hoe gij zo zijt gekomen, vent
ach vertel dat toch meteen
in uw ogen, hart en handen
wilt gij één of helemaal
geen
grijp u toch tesamen,
liefste
sla uw vleugels toch
eens uit
veeg dat zwarte roet
naar buiten
gooi af die olifantenhuid
verwordt een
ware man, mijn beste,
liefste, schoonste, verste vent
praat niet
langer als
een vogel
van wie men het lied herkent
als zware tranen
doet gij 't klinken,
't rust zo zwaar
op uw gemoed
blijf toch niet
steeds verder zinken.
hef uw hoofd zoals
het moet
na zware lange
tegenslagen
mag men droevig zijn,
zelfs triest
maar verweer u tegen
vlagen
waarbij men het hoofd
verliest
lief och vent,
ik kan niet redden
het zwaargekwetst, verwond
gebroed
dat gij zijt verworden,
sinds zij koos voor nader bloed
trek u op,
open uw ogen
zet uw trots en pijn opzij
open hart en handen,
vogel,
verlicht uw hoofd
en lach naar mij.
zondag 21 maart 2010
zondag 10 januari 2010
vent vent prachtige vent!
je kan het, ma, je kan het. ontdooi, in warme, zachte armen. de mijne.
druk hand om dunne schouderbladen, vent, je kan het, sluip zacht en zeker dichterbij. ik sta met open armen en wacht. rust. glimlach mooi vanbinnen.
kom maar, lief, in bed bij mij.
slapen, dromen ook. uren dromen. dag wegvrijen, wolken gaan voorbij. over huis en toren met hand op jou, hand rust op zachte buik.
lief, mijn vent, je kan het. kwetsen doe ik niet. nooit.
johnny wacht op june, zo lang, zo hard verlangen kan.
wil ik. vuur in hart en ogen, altijd, opnieuw.
lief, wees niet bang, het kan.
je kan. net zo simpel als roken, drinken ook. net zo simpel, net zo vaak.
raak mij.
zie mij.
ik hou vast aan al dat moois, doe in stilte verder. ploeter, hap naar adem, zo naast jou.
lief.
kom in armen rusten, naakt, leg handen op warme, kleine borsten.
speel.
drink koffie, sta op. wek mij, ik slaap in jou, met jou.
haal een hand door haar en hart. het mijne. het breekt, zweeft. hou het. hou het stevig vast. druk het tegen lijf en leden. laat liggen in jouw schoot.
lief.
ontkleedt me. armen hoog, dan strelen. eeuwig. aai. beef met mij, omarm, mijn lief, omarm mij zo.
druk me tegen jou, dóór jou.
tot tegen hart en haren, lief. in liefde alleen besloten.
kom lig, met mij, onder dikke dekens. kou kan mij niet deren, nu.
glimlach als je kijkt, sst, in stilte.
lief, liefde.
zing voor mij, weerom in stilte. noten in jouw hoofd, altijd. zo.
zucht, praat zacht. dat het je spijt, zo lang alleen. je mist het, slapen.
in armen.
kus, lief, teder. je wordt er warmer van, zo warm naast mij.
streel over mijn armen, tussen borsten door, domweg naar benee.
over benen, sproeten, navel, heuvel, tussen benen door.
ik gloei van jou, door jou. laat mooie vingers dansen. zo.
ach lief.
en kijk naar mij.
ik duw mijn wang tegen de jouwe ; ze prikt ; strijk vingers over zachte baard en kus. in stilte.
hoor ik nooit nog, lief, iets anders.
kom bij mij, kom dichter slapen.
ik ruik je, zoet, zo zoet wil nooit niks anders meer.
warm mij, lig bij mij, in mij, en dans. beweeg als soepel walsen. dat doe je vaak, zo dansen.
voel warme adem op en neer, lief, doe mij kreunen. zo.
ik bén bij jou, leef in jou, altijd. versnel jouw adem, lief, mijn lief. en zeg even tussendoor dat het zalig dansen is, je hebt dit zo gemist.
lief, kijk naar mij, ik wil je, streel rug met koude vingers.
bloed ruist in mijn hoofd, mijn hart, in jou.
dansen, sneller dansen, praten, nee, zuchten. fluisteren, rusten kan je straks. en nu slechts snelle vluchten, hoger. hoger!
lief, mijn lief, ik zucht vier zachte zuchten, kreun jouw naam in stilte.
en beef. verblijf in bed, dekens op en neer. zonder praten, kom maar rusten, hier bij mij.
in bed bij mij, kom slapen.
vent och vent, prachtige vent, doe die schone ogen toe. kom rusten.
ja mijn lief, je kan het.
je kan het, ma, je kan het. ontdooi, in warme, zachte armen. de mijne.
druk hand om dunne schouderbladen, vent, je kan het, sluip zacht en zeker dichterbij. ik sta met open armen en wacht. rust. glimlach mooi vanbinnen.
kom maar, lief, in bed bij mij.
slapen, dromen ook. uren dromen. dag wegvrijen, wolken gaan voorbij. over huis en toren met hand op jou, hand rust op zachte buik.
lief, mijn vent, je kan het. kwetsen doe ik niet. nooit.
johnny wacht op june, zo lang, zo hard verlangen kan.
wil ik. vuur in hart en ogen, altijd, opnieuw.
lief, wees niet bang, het kan.
je kan. net zo simpel als roken, drinken ook. net zo simpel, net zo vaak.
raak mij.
zie mij.
ik hou vast aan al dat moois, doe in stilte verder. ploeter, hap naar adem, zo naast jou.
lief.
kom in armen rusten, naakt, leg handen op warme, kleine borsten.
speel.
drink koffie, sta op. wek mij, ik slaap in jou, met jou.
haal een hand door haar en hart. het mijne. het breekt, zweeft. hou het. hou het stevig vast. druk het tegen lijf en leden. laat liggen in jouw schoot.
lief.
ontkleedt me. armen hoog, dan strelen. eeuwig. aai. beef met mij, omarm, mijn lief, omarm mij zo.
druk me tegen jou, dóór jou.
tot tegen hart en haren, lief. in liefde alleen besloten.
kom lig, met mij, onder dikke dekens. kou kan mij niet deren, nu.
glimlach als je kijkt, sst, in stilte.
lief, liefde.
zing voor mij, weerom in stilte. noten in jouw hoofd, altijd. zo.
zucht, praat zacht. dat het je spijt, zo lang alleen. je mist het, slapen.
in armen.
kus, lief, teder. je wordt er warmer van, zo warm naast mij.
streel over mijn armen, tussen borsten door, domweg naar benee.
over benen, sproeten, navel, heuvel, tussen benen door.
ik gloei van jou, door jou. laat mooie vingers dansen. zo.
ach lief.
en kijk naar mij.
ik duw mijn wang tegen de jouwe ; ze prikt ; strijk vingers over zachte baard en kus. in stilte.
hoor ik nooit nog, lief, iets anders.
kom bij mij, kom dichter slapen.
ik ruik je, zoet, zo zoet wil nooit niks anders meer.
warm mij, lig bij mij, in mij, en dans. beweeg als soepel walsen. dat doe je vaak, zo dansen.
voel warme adem op en neer, lief, doe mij kreunen. zo.
ik bén bij jou, leef in jou, altijd. versnel jouw adem, lief, mijn lief. en zeg even tussendoor dat het zalig dansen is, je hebt dit zo gemist.
lief, kijk naar mij, ik wil je, streel rug met koude vingers.
bloed ruist in mijn hoofd, mijn hart, in jou.
dansen, sneller dansen, praten, nee, zuchten. fluisteren, rusten kan je straks. en nu slechts snelle vluchten, hoger. hoger!
lief, mijn lief, ik zucht vier zachte zuchten, kreun jouw naam in stilte.
en beef. verblijf in bed, dekens op en neer. zonder praten, kom maar rusten, hier bij mij.
in bed bij mij, kom slapen.
vent och vent, prachtige vent, doe die schone ogen toe. kom rusten.
ja mijn lief, je kan het.
Abonneren op:
Posts (Atom)