donderdag 5 augustus 2010

Slaapverhaal

lief,

ik kan niet, kan het niet. u vergeten, telkens weer.
't is aan u, 't spel is aan u, ik heb mijn laatste zet gezet.

als 't u lieft, kom mij dan vinden. praten, schoon, met mij. als het u lieft, mijn schoon, ver, lief. u binden, u vinden.

ge kunt, ik heb het u zien doen, ge kunt. u plooien over mij. uw ogen. ze zeggen dat ge kinderen wilt. vandaag en nu en nog. leg u, lig toch neer.

hoort ge 't? sluit uw ogen, ik vertel u een verhaal. van zand dat waait in 't Oosterland, in woeste, wilde polders. hoe ik -ge kunt het zien als ge goed kijkt- hoe ik daar zo kan staan. laarzen, lange laarzen aan, klaar voor berg omhoog, met haar. we kijken, we zien u, we wuiven. ik met hand en zij met staart. we wuiven.

ge wilt ons eigenlijk achterna, maar kunt uzelf niet volgen.

zo staan wij daar, we wachten.
zo zijn wij daar, we zijn gereed voor u.
ze voelt uw hand al op haar pels en schudt eens met haar oren.

ge klimt, ge zingt terwijl een liedje.
omdat ge wilt, omdat ge kunt.
uw hoofd is bijna boven. en zij loopt op u toe.

thans gaat ge door uw knieƫn, uw hand raakt nu haar rug.
ze zoekt naar mij, haar bruine ogen zijn waarlijk die van u.
ge doet om ter langste wimpers en gij wint. in aaibaar zijn wint zij, ze heeft tenslotte ook meer haren.

ziet ge 't? hou uw ogen toe, het is nog niet gedaan. ge zijt nog niet eens
boven.

zij loopt naar mij en lokt u mee, als om u de weg te wijzen.
zijt g' er? zeg ik en ik draai mijn hoofd naar de grote, lege lucht.

ge knikt, zet passen dichterbij, tot bijna bijna boven.
uw hand gaat in uw zakken, de grote zakken van uw jas, en zoeken.
ze vinden vuur en sigaretjes.
zij is alweer benee en loopt tussen de schapen. net een echte.

de laatste stap en ge zijt boven, ge komt naast mij staan en doet
uw vuur weer branden. de polderwind heeft uitgewaaid wat u
zo begeerlijk maakt.

ik zeg niks en zie naar vogels,
wijs ze in de verte aan.
ge trekt, ge knikt en dan verblaast
ge wolken achter wolken aan.
uw hand hangt langs uw zij.

ik roep haar bij haar naam, doch ze is
al lang vergeten wat ik daar weer mee bedoel.
ik tsjok achter haar aan, want god, ik wil haar oren voelen.
zacht als warme winterwanten dekken ze mij toe.

(zijt ge nog mee tot hier en toe, nog even ogen sluiten. ge slaapt nu echt bijna.)

nu staat gij daar
schoon vanboven en kunt ons zien, zoals wij gaan.
een kleine stip op vier/twee poten, ik voel uw blik ons volgen.

dan zet ge plots de vaart erin, laat uw benen lopen.
ge vangt ons bijna heel beneden en lacht om wat ge deed.
zij loopt en ik omarm u, twee armen tegelijk.

ziet, ge slaapt nu, lief, zo hoort het.
slaap u tegen mij.

Geen opmerkingen: