hoe zou het zijn naast u te zijn, om naast u te ontwaken?
koffie met u drinken, boven krant en opgevouwen nacht. niet eens praten, niet eens dat.
Johnny speelt voor ons vanmorgen, lui te eten zitten wij.
hond ligt onder tafel, ik warm aan haar mijn voeten.
druk dikke kussen op mijn wang, ik wil u vandaag niet missen, niet. ik wil met u mee.
blijf liever naast mij zitten. naast mij en hond, die zo diep slaapt.
geef mij nog van u, ik kan u niet zomaar lossen. ik wil mijn armen om u slaan, u bergen.
door uw haren gaan met mijn lange, dunne vingers. ze wentelen om u.
uw hand rond mij, ge warmt mij zo voor ge weer vertrekt.
ik kan enkel bij u zijn, meer heb ik niet te geven.
kom mee met mij naar Nederland, ik toon u alle plaatsen waar ik thuis ben, waar ik woon.
ik loop met u tussen bomen, zie tussen de takken door en leid u naar veel verder.
ge ligt in mijn schoot en doet uw ogen open. laat mij hopen op wat komt, op wat nog zal gebeuren. troost mij met een kus, ik smeer u een boterham.
't is hoe wij zijn, volledig. vol en ver.
ach, ik wil u strelen,
aaien, horen, hier bij mij.
vent, ik wil niks missen van elk woord dat ge
schrijft aan mij. en schrijf. blijf bij mij. bij mij.
vrijdag 13 augustus 2010
ik hou u tegen mij en kan nauwelijks ontkennen dat, met schaamrood op de wangen, het wààr is wat men zegt.
wie heeft het u verteld? vraag ik, maar gij kunt enkel lachen, flauw glimlachen, en daaruit concluderen: wat ze zeggen is dus waar.
niet en nooit kan ik u zeggen, u vertellen, hoe het komt en hoe het zij. och ge kwam binnen en ik straalde, ik vond u, diep in mij.
hoe ik zo koppig ben geworden? door u. ik laat nooit meer los, niet.
ge voedt mij, doet mij schrijven, haalt het binnenste uit mij en dat is heerlijk. eindigt niet en bovendien, we gaan enkel vooruit.
aan zee zit ik, met u naast mij, en wat ik zo zou willen?
wind door hart en haar.
languit liggen op mijn rug en naar wolken staren.
ik strek mijn arm en voel u, raak u.
ge draait uw hoofd naar mij.
nu is 't aan mij om slechts te lachen, de zon brandt op mijn armen.
ik rij naast u, we zwijgen, zeggen enkel wat niet hardop wordt gezegd.
ge begint te zingen. 't is zo hoe gij het doet, binnendringen in hier mij, en daar schoon blijven wonen.
nee, gij. ge rijdt, tikt vrolijk met uw vingers als ik lees en bij u ben. ik proef zout op mijn lippen en draai het raampje naar benee.
zo zie ik u, terwijl ik naast u sta.
mijn hoofd tegen uw schouder.
ik leun op u.
uw hand hangt langzaam om mijn middel.
ik zeg: 'blijf in mij, altijd' en sluit mijn ogen, voel nog uw kus op mijn gelaat.
wie heeft het u verteld? vraag ik, maar gij kunt enkel lachen, flauw glimlachen, en daaruit concluderen: wat ze zeggen is dus waar.
niet en nooit kan ik u zeggen, u vertellen, hoe het komt en hoe het zij. och ge kwam binnen en ik straalde, ik vond u, diep in mij.
hoe ik zo koppig ben geworden? door u. ik laat nooit meer los, niet.
ge voedt mij, doet mij schrijven, haalt het binnenste uit mij en dat is heerlijk. eindigt niet en bovendien, we gaan enkel vooruit.
aan zee zit ik, met u naast mij, en wat ik zo zou willen?
wind door hart en haar.
languit liggen op mijn rug en naar wolken staren.
ik strek mijn arm en voel u, raak u.
ge draait uw hoofd naar mij.
nu is 't aan mij om slechts te lachen, de zon brandt op mijn armen.
ik rij naast u, we zwijgen, zeggen enkel wat niet hardop wordt gezegd.
ge begint te zingen. 't is zo hoe gij het doet, binnendringen in hier mij, en daar schoon blijven wonen.
nee, gij. ge rijdt, tikt vrolijk met uw vingers als ik lees en bij u ben. ik proef zout op mijn lippen en draai het raampje naar benee.
zo zie ik u, terwijl ik naast u sta.
mijn hoofd tegen uw schouder.
ik leun op u.
uw hand hangt langzaam om mijn middel.
ik zeg: 'blijf in mij, altijd' en sluit mijn ogen, voel nog uw kus op mijn gelaat.
donderdag 5 augustus 2010
Slaapverhaal
lief,
ik kan niet, kan het niet. u vergeten, telkens weer.
't is aan u, 't spel is aan u, ik heb mijn laatste zet gezet.
als 't u lieft, kom mij dan vinden. praten, schoon, met mij. als het u lieft, mijn schoon, ver, lief. u binden, u vinden.
ge kunt, ik heb het u zien doen, ge kunt. u plooien over mij. uw ogen. ze zeggen dat ge kinderen wilt. vandaag en nu en nog. leg u, lig toch neer.
hoort ge 't? sluit uw ogen, ik vertel u een verhaal. van zand dat waait in 't Oosterland, in woeste, wilde polders. hoe ik -ge kunt het zien als ge goed kijkt- hoe ik daar zo kan staan. laarzen, lange laarzen aan, klaar voor berg omhoog, met haar. we kijken, we zien u, we wuiven. ik met hand en zij met staart. we wuiven.
ge wilt ons eigenlijk achterna, maar kunt uzelf niet volgen.
zo staan wij daar, we wachten.
zo zijn wij daar, we zijn gereed voor u.
ze voelt uw hand al op haar pels en schudt eens met haar oren.
ge klimt, ge zingt terwijl een liedje.
omdat ge wilt, omdat ge kunt.
uw hoofd is bijna boven. en zij loopt op u toe.
thans gaat ge door uw knieën, uw hand raakt nu haar rug.
ze zoekt naar mij, haar bruine ogen zijn waarlijk die van u.
ge doet om ter langste wimpers en gij wint. in aaibaar zijn wint zij, ze heeft tenslotte ook meer haren.
ziet ge 't? hou uw ogen toe, het is nog niet gedaan. ge zijt nog niet eens
boven.
zij loopt naar mij en lokt u mee, als om u de weg te wijzen.
zijt g' er? zeg ik en ik draai mijn hoofd naar de grote, lege lucht.
ge knikt, zet passen dichterbij, tot bijna bijna boven.
uw hand gaat in uw zakken, de grote zakken van uw jas, en zoeken.
ze vinden vuur en sigaretjes.
zij is alweer benee en loopt tussen de schapen. net een echte.
de laatste stap en ge zijt boven, ge komt naast mij staan en doet
uw vuur weer branden. de polderwind heeft uitgewaaid wat u
zo begeerlijk maakt.
ik zeg niks en zie naar vogels,
wijs ze in de verte aan.
ge trekt, ge knikt en dan verblaast
ge wolken achter wolken aan.
uw hand hangt langs uw zij.
ik roep haar bij haar naam, doch ze is
al lang vergeten wat ik daar weer mee bedoel.
ik tsjok achter haar aan, want god, ik wil haar oren voelen.
zacht als warme winterwanten dekken ze mij toe.
(zijt ge nog mee tot hier en toe, nog even ogen sluiten. ge slaapt nu echt bijna.)
nu staat gij daar
schoon vanboven en kunt ons zien, zoals wij gaan.
een kleine stip op vier/twee poten, ik voel uw blik ons volgen.
dan zet ge plots de vaart erin, laat uw benen lopen.
ge vangt ons bijna heel beneden en lacht om wat ge deed.
zij loopt en ik omarm u, twee armen tegelijk.
ziet, ge slaapt nu, lief, zo hoort het.
slaap u tegen mij.
ik kan niet, kan het niet. u vergeten, telkens weer.
't is aan u, 't spel is aan u, ik heb mijn laatste zet gezet.
als 't u lieft, kom mij dan vinden. praten, schoon, met mij. als het u lieft, mijn schoon, ver, lief. u binden, u vinden.
ge kunt, ik heb het u zien doen, ge kunt. u plooien over mij. uw ogen. ze zeggen dat ge kinderen wilt. vandaag en nu en nog. leg u, lig toch neer.
hoort ge 't? sluit uw ogen, ik vertel u een verhaal. van zand dat waait in 't Oosterland, in woeste, wilde polders. hoe ik -ge kunt het zien als ge goed kijkt- hoe ik daar zo kan staan. laarzen, lange laarzen aan, klaar voor berg omhoog, met haar. we kijken, we zien u, we wuiven. ik met hand en zij met staart. we wuiven.
ge wilt ons eigenlijk achterna, maar kunt uzelf niet volgen.
zo staan wij daar, we wachten.
zo zijn wij daar, we zijn gereed voor u.
ze voelt uw hand al op haar pels en schudt eens met haar oren.
ge klimt, ge zingt terwijl een liedje.
omdat ge wilt, omdat ge kunt.
uw hoofd is bijna boven. en zij loopt op u toe.
thans gaat ge door uw knieën, uw hand raakt nu haar rug.
ze zoekt naar mij, haar bruine ogen zijn waarlijk die van u.
ge doet om ter langste wimpers en gij wint. in aaibaar zijn wint zij, ze heeft tenslotte ook meer haren.
ziet ge 't? hou uw ogen toe, het is nog niet gedaan. ge zijt nog niet eens
boven.
zij loopt naar mij en lokt u mee, als om u de weg te wijzen.
zijt g' er? zeg ik en ik draai mijn hoofd naar de grote, lege lucht.
ge knikt, zet passen dichterbij, tot bijna bijna boven.
uw hand gaat in uw zakken, de grote zakken van uw jas, en zoeken.
ze vinden vuur en sigaretjes.
zij is alweer benee en loopt tussen de schapen. net een echte.
de laatste stap en ge zijt boven, ge komt naast mij staan en doet
uw vuur weer branden. de polderwind heeft uitgewaaid wat u
zo begeerlijk maakt.
ik zeg niks en zie naar vogels,
wijs ze in de verte aan.
ge trekt, ge knikt en dan verblaast
ge wolken achter wolken aan.
uw hand hangt langs uw zij.
ik roep haar bij haar naam, doch ze is
al lang vergeten wat ik daar weer mee bedoel.
ik tsjok achter haar aan, want god, ik wil haar oren voelen.
zacht als warme winterwanten dekken ze mij toe.
(zijt ge nog mee tot hier en toe, nog even ogen sluiten. ge slaapt nu echt bijna.)
nu staat gij daar
schoon vanboven en kunt ons zien, zoals wij gaan.
een kleine stip op vier/twee poten, ik voel uw blik ons volgen.
dan zet ge plots de vaart erin, laat uw benen lopen.
ge vangt ons bijna heel beneden en lacht om wat ge deed.
zij loopt en ik omarm u, twee armen tegelijk.
ziet, ge slaapt nu, lief, zo hoort het.
slaap u tegen mij.
woensdag 4 augustus 2010
elk woord dat ik u achterlaat, lief,
lijkt achteraf zo dwaas.
het staat te blozen als een kind van
twaalf, met lange blonde vlechten.
elke letter wordt gewogen voor zij onder
uw ogen komt, als kostbaar
kleine granen. ik plant ze, verplant ze.
verder bouw ik zinnen, die gij nooit
lezen zult. ik wil opnieuw beginnen.
van begin af aan.
zonder uitzonderlijke empathie.
gewoon, gij.
loop ik
tegen u aan.
omfloerst doe ik alsof, nonchalance
op en top, ge zou me nooit benauwen.
lucht dwaalt door mijn longen, op
een doods en loom gemak, ik
kan niet enkel knikken.
schaamte overspoelt mij soms, vooral
's ochtends vroeg, in bed.
voor ik mijn ogen heb gesloten niet,
dan nog niet. meteen.
pas als de zon verschijnt, als ik uren
heb verslapen.
ergens tussen apegapen en waken weet
ik weer
wat ik u heb staan vertellen.
schaamte.
blijkt niet van uw gelaat te lezen, dat
het u stoort. ge kunt u goed verstoppen.
wie niet ziet, is gezien.
het gaat niet meer over leemte.
het draait om u, om u.
als linten wikkelt het om mij,
meiboom in de lente. ik mag u niet
vergeten.
niet vertellen, nooit niet, nee.
niet vertellen, nooit niet
nee
de nacht kan enkel rusten
en slapen tot ik weer ontwaak
de donkerte verjagen.
strak de hemel,
als een trommelvel
ongeplooid gemoeid gelaten
als water drijven wolken door:
vlakke, warse banen
strepen in het hemelzicht
als striemen op mijn hart
mijn hart
het staat op springen
als hazen door een woeste hei
ik wil
opnieuw
beginnen
lijkt achteraf zo dwaas.
het staat te blozen als een kind van
twaalf, met lange blonde vlechten.
elke letter wordt gewogen voor zij onder
uw ogen komt, als kostbaar
kleine granen. ik plant ze, verplant ze.
verder bouw ik zinnen, die gij nooit
lezen zult. ik wil opnieuw beginnen.
van begin af aan.
zonder uitzonderlijke empathie.
gewoon, gij.
loop ik
tegen u aan.
omfloerst doe ik alsof, nonchalance
op en top, ge zou me nooit benauwen.
lucht dwaalt door mijn longen, op
een doods en loom gemak, ik
kan niet enkel knikken.
schaamte overspoelt mij soms, vooral
's ochtends vroeg, in bed.
voor ik mijn ogen heb gesloten niet,
dan nog niet. meteen.
pas als de zon verschijnt, als ik uren
heb verslapen.
ergens tussen apegapen en waken weet
ik weer
wat ik u heb staan vertellen.
schaamte.
blijkt niet van uw gelaat te lezen, dat
het u stoort. ge kunt u goed verstoppen.
wie niet ziet, is gezien.
het gaat niet meer over leemte.
het draait om u, om u.
als linten wikkelt het om mij,
meiboom in de lente. ik mag u niet
vergeten.
niet vertellen, nooit niet, nee.
niet vertellen, nooit niet
nee
de nacht kan enkel rusten
en slapen tot ik weer ontwaak
de donkerte verjagen.
strak de hemel,
als een trommelvel
ongeplooid gemoeid gelaten
als water drijven wolken door:
vlakke, warse banen
strepen in het hemelzicht
als striemen op mijn hart
mijn hart
het staat op springen
als hazen door een woeste hei
ik wil
opnieuw
beginnen
Abonneren op:
Posts (Atom)