Er was er eens een heel oud vrouwke
dat een maaltijd ging bereiden
Ze zou een potje bonen brouwen
en daarmee haar maag verblijden
Ze nam een handje stro voor 't vuurke,
maar morste daarbij op de grond
Eén strootje gleed al naar beneden,
vond daar een kooltje, zwart en rond
Ook een boontje wist te vluchten
Hij zag tussendoor een kans
Het Boontje, Strootje en het Kooltje
ontsprongen zo de Dodendans
Boontje, Strootje en het Kooltje
wilden graag de wereld in
Trokken samen uit de keuken,
geen hindernis was hen te min
Ze kwamen aan een kolkend water,
bij nader inzien, 't bleek een sloot
't Strootje wierp zich over 't beekje,
bewees de dienst als strooien vloot
Kooltje stak als eerste over
maar brandde 't Strootje los in twee
Beiden gingen kopje onder
Boontje lachte daar eens mee
't Lachen leek maar aan te houden,
Boontje lachte zich een scheur
ter hoogte van zijn navelbuikje
Zijn naadje scheurde helemaal deur
Ten toeval wie daar net passeerde,
een kleermaker trok door de streek
Hij maakte 't scheurtje mooi ten ende,
naaide met een schone steek
het buikje van de Boon gesloten
een rechte lijn over zijn buik
met zwarte draad, hij had niet anders
Wit op zwart, het stond wel puik
Boontjes hebben tot op heden
het lijntje van hun oom geërfd
Ze zijn van hoog tot heel beneden
met een zwarte lijn generfd
zondag 27 juni 2010
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten