hoe wil ik u en zelfs nog meer, de luchten worden grijzer. ál, nu al.
het is niet eens augustus.
ik maak mijn bed voor u, ge zijt ver weg. en ik zit u zo te missen.
het ruikt al naar bladeren buiten, vocht stijgt op uit zomergrond. die zal weer gaan kleuren, gauw, bruinrood.
ach, ik zoek zo naar een rust die zelfs gij niet bieden kunt, ik drentel heen en weer tussen hoofd en hart. ik slijt een vluchtweg uit. zig zag door mijn hals, langs binnen.
het stormt in mij, alweer. ik blijf steeds flauw analyseren, wikken, wegen, woorden meten.
nog en nog en nog.
ach gij en zit bij mij, kom mijn wild hart bergen, tussen bruine warme handen. sla u rond mij, mijn lief. ik aarzel ; weet niet meer waarheen dit gaat. ik kom nooit op adem.
zonder u.
ik zie de zee en zie een zee van tijd, de heerlijkheid. ik stapel boeken rond mijn bed. kan dagen liggen lezen met u naast mij, met u erbij.
ge moogt het mij zelfs vragen: of ik wil lezen wat ik lees, hardop en echt gezegd?
als uw hoofd rust in mijn schoot, uw ogen méér dan toe, ge slaapt.
ge hebt uw oor tegen mijn buik en hoort het binnen bonzen.
mijn hart, mijn hart, mijn hart, mijn hart.
het slaat zo snel met u bij mij. ik aai over uw wangen. ze prikken.
zo en schoon ligt gij en droomt bij mij. terwijl ik voor u lees. ge hoort de klanken zoemen. ge hoort mijn hand over papier als ik het blad omsla. en slaap en rust op mij, mijn vent, mijn hand ligt op uw borst.
ik leg het boek naast mij en zucht en doe ook mijn ogen toe.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten