lief mijn lief,
ik weet niet meer
hoe het verder gaat.
anders is het nu: we praten wel (en graag, zo graag, je kan zo prettig praten en een arm achter mijn schouder houden, je leunt tegen de deur), maar over zo'n banale dingen, als je vraagt naar mij.
ik had iets anders moeten zeggen. dat het goed gaat, ik hou van wat ik doe en woon zo graag onder hoge torens.
noten in mijn oren, alle dagen, vaak de jouwe en weet je hoe dat komt?
ik hoor jou zo graag spelen, net als praten, net als zeggen dat toch nog steeds weer komen werken structuur geeft aan de week.
ik had je kunnen zeggen, lief, dat jij 't bent die mij zo doet schrijven, 's nachts alleen, in bed en dat ik mijn hoofd zou geven om jou eens naast mij te vinden.
zomaar. je hoeft zelfs niks te zeggen dan, of ja, zeg dat je nergens anders liever nog wil zijn vannacht, terwijl je ergens anders bent en kijkt naar mij, terwijl je haren aait en daarna, zacht, bijna onhoorbaar zucht.
ik zou niks kunnen zeggen dan, maar tanden op mijn lip verzetten. niet durven kijken ook, bang om jou plots te storen.
even laten zijn.
en dan mezelf ontbloten, knoop per knoop het hemd losmaken waarin ik zo graag slaap.
jouw handen op mijn borsten voelen, rechterhand op links ; de hand die 't vaakst ontroerde, die ik het vaakst heb willen zien.
ik zou het niet hebben over werken en hoe lang nog. ik zou enkel drinken als je praat en passie preekt. vuur doet branden in mijn hoofd. zo, lief, zou het mooier zijn.
zoveel mooier als ik dat vuur eens plots zou kunnen lossen, zonder elastieken om mijn hart, ze staan op springen. en water in mijn hoofd dat klotst en rede mee kan spoelen.
weg.
vertellen zou ik, uren, en af en toe jou laten praten over wat jou zo beroert en waarom jouw arm nog steeds zo mooi
om haar schouders hangt.
je zou me kunnen vinden in waarom ik zo ben blijven dwalen in zinnen, mooi en kort van stof, die toch méér dan zomaar woorden borgen.
in nauwelijks verhulde blikken, lief, zou je kunnen vinden hoe ik van jou denk. hoe blij ik werd toen je kwam kijken, op een woensdag tussendoor, hoe dichtbij ik was. vaak, op woensdagmiddag.
in regen ook, kon ik jou zien, lief, tot op het bot doorweekt en toch nog steeds vond ik jou heerlijk.
hoe we hebben zitten praten over wat wél kon en wat niet en ach, vertel hen best hoe ik paniek ik raakte, je zou me daarna troosten met dat jou dat ook al is gebeurd.
denk je dat 't mij kan schelen dat je mij niet eens wou volgen, naast mijn arm had kunnen zitten kijken, naar dansen, zingen van een ander?
ja, zelden nóg meer pijn gehad, verdriet, mijn lief, rivieren uitgeschreid. zittend, leunend, tegen warme vuren, moederziel alleen, maar zo heb ik proberen hopen jou uit mijn leven weg te werpen. 't is helaas niet eens gelukt. met al mijn huilen ook.
praat je nog met anderen ook over wat je mij vertelde toen? of blijft dat altijd, eeuwig en alleen dicht bij mij en tussen ons?
je woont in mijn hoofd, lief, in mijn hoofd, als een passie die doet schrijven, lopend vuur.
ik wil nog liever kijken dan dat ik slapen zou met jou.
het doet me steeds weer dwalen, dat zingen dat je doet. en lachen. ik kan je zo zien zitten lachen.
dat zou ik vertellen, lief, nuchter maar voluit. en niemand zou me kunnen horen, enkel jij zou af en toe de oren iets meer spitsen. kleine slokken drinken en praten over kleine dingen, niet eens blozen of verpinken bij woorden die je zonet hoorde.
uit mijn volle, rode mond die je straks bij het verlaten van de zaal, bij 't achterlaten van de dag, volop zou willen kussen.
zoveel mooier, dit, dan wat nu -verloren- staat, vaststaat in mijn hoofd.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
1 opmerking:
Joke
Waarom zie ik nu pas deze brief van 23 februari.
Het is een schitterende schrijving.
En als de vorige keren denk ik weer, ik moet hier vaker komen.
Letterliefs,
i.
Een reactie posten